“Wauw. Wat geweldig dat een plek als deze nog bestaat.”
Tijdens een vakantie in Georgië rij ik paard in de vallei van de Shkhara gletsjer (uitspraak: sjgara), waarboven bergtoppen van meer dan 5000 meter uit toornen. De vlakke valleibodem is een bloemenzee vol kleur. Een kristalhelder riviertje klatert door zijn bedding vol afgeronde stenen. De hoeven van de paarden laten de bodem dreunen als we ze tot galop aanzetten.
Idyllisch! Het is op dit moment dat ik met een diepe zucht de gedachte uitspreek: wat geweldig dat een plek als deze nog bestaat. Waar vind je nog zo’n ongeschonden landschap, puur en ruig maar lieflijk tegelijk, zonder sporen van de mens.
Dan een tweede gedachte: Klopt het wel dat hier geen sporen zijn van de mens? Want de gletsjer is ongetwijfeld ver teruggetrokken de afgelopen eeuw, en hoe zal het zijn gesteld met de soortenrijkdom van de bloemenzee? Het bedrukt mijn gemoed, te bedenken dat ik zo overweldigd blij ben met een landschap dat er ecologisch gezien slechter aan toe is dan ooit in de menselijke geschiedenis.
Misschien is deze ervaring wel exemplarisch voor genieten van de natuur in onze tijd. We koesteren die overweldigende ervaringen, laten ons vervullen en overdonderen door prachtige landschappen, ruisende bossen en de details van tere vlindervleugels, en weten tegelijkertijd dat ons paradijs in gevaar is.
Na de paardrijtocht zit ik tegen een rots geleund en sla mijn boek open, de nieuwe van Ian McEwan, “What we can know”. Een literatuurprofessor uit 2120 is geobsedeerd door de periode 1990-2030, de tijd vóórdat de wereld door klimaatrampen en oorlogen onherkenbaar veranderd werd. Hij heeft heimwee naar een periode waarin hij zelf niet geleefd heeft, en als hij zich verheugt zich over de maar liefst 7 vlindersoorten die er in zijn land zijn, herinnert hij zich bedremmeld dat er in 2014 nog 85 soorten waren.
Het is herkenbaar. Vandaag de dag kijken we een generatie terug en betreuren wat er in de natuur veranderd en verloren is gegaan sindsdien. Voor de generatie daarvoor gold hetzelfde verhaal. Wat er aan de hand is, wordt het shifting baseline-syndroom genoemd.
Het shifting baseline-syndroom (of shifting baseline-principe) is een concept uit de ecologie en milieukunde dat beschrijft hoe generaties mensen hun referentiekader voor wat “normaal” of “gezond” is in een ecosysteem geleidelijk aanpassen, gebaseerd op hun eigen ervaringen en waarnemingen. Dit kan leiden tot een vertekend beeld van de werkelijke staat van het milieu, omdat elke generatie een nieuwe, vaak verslechterde, baseline hanteert.
Om boven het shifting baseline syndroom uit te kunnen stijgen, moet je op een grotere tijdschaal dan je eigen leven gaan denken. Je moet uitzoomen en gaan denken in honderden jaren, gevoelig worden voor het tempo van de veranderingen in je omgeving. Sommige veranderingen gaan snel en gewelddadig, zoals een aardverschuiving. Andere veranderingen zijn subtiel, zoals het opbouwen van sediment in een valleibodem.
Die metafoor heel praktisch gemaakt: organisaties kunnen ook last hebben van shifting baseline syndroom. Stel: iemand in een team functioneert niet goed genoeg, of het team als geheel draait niet lekker, en langzaam wordt dit het nieuwe normaal. Lagere verwachtingen leiden tot slechtere prestaties. Als verslechteringen er geleidelijk insluipen, is het lastig te bepalen wanneer je moet ingrijpen, en hoe. Ons lijkt het zaak om uit te zoomen en eerlijk naar de huidige stand van zaken te kijken, en eerlijk te kijken hoe zich dit verhoudt tot de zogeheten ‘baseline’ die de mensen samen als organisatie dragen.
In de waan van de dag hebben we oog voor de snelle processen, en dat is begrijpelijk. Maar wie de rust en het perspectief kan vinden die de bergen bieden, kan de onderstroom van geleidelijke verandering voelen en herkennen. Wie kan uitzoomen en boven het proces kan hangen waar die in zit, ziet misschien een beter referentiekader om zich naar te verhouden. Betekenisvollere doelen, een grotere positieve impact om na te streven. Dat is de inspiratie die de bergen bieden.

